Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > En toch niet naar Athus (VI)

En toch niet naar Athus (VI)

Jan Vercammen.

zaterdag 24 augustus 2024, door Rixke

Ik beluisterde nu met aandacht het ritme van de wielen. Ik nam het in mij op. Ik heb altijd de neiging gehad bij het ritme van treinwielen muziek te improviseren of aan te passen. Muziek of poëzie. Daar had je het weer. Ineens schoot een vers van Paul Van Ostayen erop af: Als je van het meisje van Milwaukee houdt.

Hoe kon ik echter van het meisje van Milwaukee houden? Ik ben nooit in het Amerikaanse merengebied geweest. En dan die Indiaanse naam. Maar Zelzate ken ik, ik weet daar zelfs het station staan, wat niet iedereen zeggen kan. En daar heb ik een meisje ontmoet, een meisje ontmoet, een meisje ontmoet, een meisje ontmoet... zo denderden de wielen van Z 98322 FSD voort en ik was weg met Van Ostayen, hij vergeve het mij:

Als je van het meisje van Zelzate houdt
van het meisje houdt
van het meisje van Zelzate houdt
van de nacht vallen de sterren veel
ik kijk naar de sterren er zijn er geen
en blijven aan de seinpalen hangen
stemi cokes arbel cokes cadoux
usinor ist so süsz
wat had ik aan de chef van Zelzate gezegd
als je van het meisje van Zelzate houdt
schaak ze in een dieselelektrische trein
de vader is een is een oempapa
de broer een oem-oem-oempapa
te Sluiskil woont haar cokes-oom
en het signaal is groen is groen
geen beter in europapa
je voert je bruid naar athus toe
je duifje naar quévy
je stuurt een telegram naar naar
naar waar stuurt men een telegram
de nacht is klaar waarvan
en morgen ben jij klaar waarmee
als je van het meisje van Zelzate houdt
jawel jawel ik houd van haar
schaak ze in een 212
neen in een 201 da ’s beter
je zit er beter in
en het uitzicht is er wijder
althans tot wanneer het duister wordt
als je van het meisje van Zelzate houdt
hoe dikwijls nog hoe dikwijls nog
negenendertig wagens cokes en cokes en cokes
aan een lokomotief van eenentachtig ton
ton ton ton ton
rem niet rem niet rem niet
rem niet tot athus
of je komt in quévy terecht
als je van haar houdt
jawel jawel
rim ram rem dit gerem
en gein die trein trein trein

Als dat nu behoorlijk zonder leestekens en vooral zonder hoofdletters blijft, als er dan nog vooral de naam van de oorspronkelijke auteur niet bij wordt gezet, kan het in een bloemlezing van moderne gedichten. Waarom ik het dan afbrak? Wel, ik kon niet verder: onze werkelijke trein deed het ritme stokken, net of er stokken in de wielen werden gestoken, want hij vertraagde weer.

– Nog wat voor de babbelaar, dacht ik, zonder aan mezelf te denken.

Pollijn die me had laten doen (hoewel ik niets had gedaan) maar misschien toch wie weet welke technische bijzonderheden had verstrekt, zonder zich natuurlijk om ritme, dat van de wielen of dat van mij, te bekreunen, was nu aan het praten met Brenard.

Ik verdacht, hem er sterk van, dat hij het o.m. over zandstrooiers had gehad, terwijl ik het over Sluiskil had tegen mezelf, – zandstrooiers namelijk vlak voor de wielen van de lokomotief, om ze meer adhesie te geven bij het aanzetten, vooral bij ijzel of sneeuw. Ook meen ik dat hij het over olie had gehad: oliekoelers en olievullers, die twee kon ik nog net van de ondergang in mijn onderbewustzijn redden. Ook afkoelingsdingen moeten hem uit de mond gerold zijn, afkoelingsmotoren en afkoelingsventilatoren, wellicht nog andere torens. Kortom, tijdens mijn gedicht had ik de indruk opgedaan, dat die 201 niet van de poes is, alleszins geen kat om zonder handschoenen aan te pakken, zeker niet zonder je handen te bevuilen.

Bij het einde van mijn gedicht hoorde ik Pollijn nog net zeggen, dat het maximum vermogen ontwikkeld wordt wanneer alle pompen openstaan, wat me nogal glad lijkt, al heb ik op de hele 201 geen enkele pomp gezien, althans geen pomp zoals we er vroeger thuis een hadden. Thuis, dat was te Appels. Glimlach niet, want dat dorp is ooit eens een vrijheerlijkheid geweest. Ik noem het, omdat men in Klein-Brabant zegt: loop naar de pomp van Appels, dan ben je voor de regen thuis. Dat is heden ten dage moeilijker dan wanneer men zegt: loop naar de maan. Ze lopen immers naar de maan, – maar ik daag iedereen uit, naar de pomp van Appels te lopen, want er is er geen, althans geen dé. De maan echter is er nog, al hebben de Mechelaars indertijd getracht ze te blussen.

Daarenboven bleek uit het betoog van Pollijn (dat alles tijdens mijn gedicht), dat alle water, zowel dat voor de motoren als dat om de handen te wassen, verzacht wordt door een speciaal produkt in plastiek flessen, zoals de zeden (als ze nog bestaan) volgens het spreekwoord verzacht worden door muziek, wat duidelijk blijkt tijdens een optreden van Beatles of Rolling Stones. Kortom, een 201 zou beslist te huur kunnen gesteld worden met op de affiche: alle comfort.

Pollijn heeft me er stellig van overtuigd, dat op het hele Internationale Uitvinderssalon te Brussel niemand nog met een nieuwigheid op het gebied van de treinveiligheid kan voor de dag komen (erachter trouwens ook niet). De N.M.B.S. kent ze immers reeds allemaal, en wel ten overvloede. Ik zie ze er zelfs toe in staat, de kathedraal van Antwerpen naar Doornik over te brengen en die van Doornik naar onze metropool, wat voor ons alleszins een winst, aan torens zou betekenen. Heeft ze niet laatst nog een stalen balk van 70 ton en 55 m lang op acht wielen (bijna 10 ton per wiel) overgebracht van Ecaussines naar Gent? In ons atoomtijdperk is voor de stap daartussen niet eens een paar zevenmijlenlaarzen nodig. En als die er nodig zijn, wat dan nog? De N.M.B.S. zal ze dan wel vinden.

Intussen brengt ze een goed deel van Wallonië naar Nederland om er ginder dammen en dijken mee aan te leggen. Tweemaal per dag rijdt een trein van Quenast naar de Rotterdamse Europoort, en wel zonder ooit in Feignies terecht te komen en zonder onderweg van nummer te veranderen. Hoeveel vierkante km zal het grondgebied van onze noorderburen aangroeien met Waalse bodem? Daarover ondervraagd, verklaarde een Nederlandse romanschrijver, dat ze Waalse bodem boven Vlaamse verkiezen, omdat de Vlamingen zouden protesteren tegen het gebruik van het Frans, – tenzij Vlaanderen er zou in toestemmen, helemaal te verdwijnen in de Nederlandse watergaten, met man en muis dan. De toenadering tussen Noord en Zuid is immers op zeer goede weg, volgens de toenaderaars in beide landen.

Maar intussen stopte de Z 98322 FSD van de N.M.B.S. daar even voorbij Denderleeuw, tussen twee groene seinen dan nog. Wat evenwel het ergste was, hij wou zelfs niet meer voort. Een schokje, net of hij haalde even de schouders op. Meer niet. Brenard verdween.

– De remmen blokkeren. Hij gaat de verdeler LST afzonderen, zei Pollijn.

– De verdeler hoe?

– LST.

– O ja, zei ik, alsof het mij zo helder was als een glas bronwater dat stenen doet verteren. Weet u, vertelde ik, ik heb eens ergens iets over een dronken trein gelezen.

– Een dronken trein! Wat zullen we nu horen?

– Een expres nog wel. een Engelse expres, wat een toppunt is. De expres Leeds - Heysham. Hij stopte in een tunnel. Zonder bijbedoelingen. Het sein stond op groen, maar de trein trok zich daar blijkbaar niets van aan. Volgens de procureur van Bingley was de bestuurder stomdronken geweest, zodat hij niet eens had gemerkt dat de remmen geblokkeerd waren. De man had dertig jaar dienst bij de spoorwegen, de Britse welteverstaan, en pleitte onschuldig. Hij werd veroordeeld voor, zoals het vonnis zei, het besturen van een trein in dronkenschap. Zeg nu zelf, of uit de termen van dit vonnis op te maken is, of de man danwel de trein dronken was.

– Trein of man, zei Pollijn kordaat, dat komt misschien in Engeland voor, bij de N.M.B.S. beslist niet.

– Reken op mij als getuige, zei ik.

Brenard kwam terug. Hij had blijkbaar de 201 tot betere gevoelens gebracht, want hij zag er tevreden uit. Hoe zou je zelf zijn: er zit daar een leek bij, die maar gedurig nota’s neemt, wees redelijk, er staat een reputatie op het spel.

De trein ging aan het rijden alsof hij van de duivel geen kwaad wist. De duivel zat hem echter blijkbaar niet op de hielen. Met vijftienhonderd ton cokes achter je aan, kan niemand dat van je verlangen, stel je in de plaats, zelfs niet om een ander ritme voor een gedicht dat de wereldliteratuur zou verrijken.

– Une machine est capricieuse comme une femme, aforismeerde Brenard.

– Comment, wedervoer ik, is een vrouw grillig?

– Meneer is waarschijnlijk een late roeping, viste Pollijn.

– Nu, zei ik, misschien wel. Beter laat dan nooit. Maar à propos, kunnen we nu nog remmen zonder die LST, of hoe heette die politieke partij?

Ik zag ons reeds door rode seinen bollen, die groter en groter werden, tot ze de hele hemel bedekten, – en dan ergens tegen een confrater terechtkomen. Proost.


Bron: Het Spoor, juli 1968