Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Toen de sporen gloeiden van angst (III)
Toen de sporen gloeiden van angst (III)
Joseph Delmelle. Geïllustreerd door Guy Bosquet.
zondag 20 oktober 2024, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
IV
Op uitnodiging van W. G. diende ik me in verbinding te stellen met C. L. uit Pecq, nabij Doornik.
Daar W. G. een gewezen stationschef was, had ik moeten vermoeden dat de groep, ongetwijfeld door zijn toedoen opgericht en onder zijn bevel geplaatst, hoofdzakelijk uit spoormannen bestond. Ik had moeten weten dat C. L. eveneens deel uitmaakte van de grote spoorwegfamilie, een familie waartoe ook de gepensioneerden blijven behoren omdat de overgang van het actieve leven naar de staat van gepensioneerde niet vermag enige wijziging te brengen in hun manier van handelen of voelen, in hun ideeën en overtuiging, in die geest van solidariteit welke een van de hoofdkenmerken is van het spoorwegmilieu.
Het was tijdens mijn tewerkstelling als chauffeur voor rekening – en tot schade – van de vervoerondernemer die voor de Duitsers werkte dat ik me, tussen twee reizen in Pas-de-Calais, naar Pecq begaf, tevergeefs overigens want C. L. bevond zich te Doornik. Men had me gezegd dat ik hem zou vinden in de „Lion”, zo luidde het uithangbord van het café, of in het station... Ik moest maar naar Cyriel vragen...
Uiterlijk gelijkt C. L. slechts weinig op W. G. Hij is slank, eerder groot en in zijn sterk getekend aangezicht blinken levendige oogjes, helder en olijk, onder een paar opvallende wenkbrauwen. Typisch detail C. L. draagt een snor. Een kleine vierkante snor, vlak onder de neus, zoals die van de fuhrer aller Ariërs!
Wanneer C. L. verneemt dat W. G. me gezonden heeft, laat hij de gereserveerde, vormelijke toon van het eerste contact varen en spreekt hij me aan met de vertrouwelijkheid van een strijder die zich tot een metgezel richt. Ik vertel hem mijn verkenningen in Frankrijk. Hij luistert gretig naar wat ik hem onthul over de werken die de Duitsers langs de hele kust aangevat hebben. Hij stelt me enkele vragen. Ik beantwoord ze. Hij spreekt me op zijn beurt over wat hij tijdens zijn verplaatsingen heeft kunnen waarnemen. Hij heeft eveneens de Kanaalkust verkend, langs de rode zone die door de Duitsers scherp in ’t oog gehouden wordt. Hij heeft inlichtingen overgemaakt aan de Engelsen – niet over de radio maar met duiven – doch werd met verstomming geslagen over de manier waarop de vliegeniers van over de plas op een van die inlichtingen gereageerd hadden. Hij had al de bijzonderheden van een bepaalde sector opgetekend: richtpunten, oneffenheden van de bodem, tracé van de wegen, spoorbaan bereden door talrijke militaire treinen, lange afstandskanon beschermd door een met camouflageverf bestreken loods, staalgieterij... De twee voornaamste doelwitten, het kanon en de fabriek, bevonden zich aan weerszijden van het spoor, op minder dan vijfhonderd meter van elkaar. Door goed te mikken kon men opzienbarende vernielingen aanbrengen... C. L. had dus al de nodige inlichtingen – en op de koop toe nog een plan – aan Londen doorgegeven. Welnu, vier dagen later kwamen er vijf Britse vliegtuigen overgevlogen die hun bommen op tamelijk verre afstand van de juiste plaats uitwierpen, slechts enkele brede, diepe trechters achterlatend. De Engelsen hadden een vergissing begaan bij het vertalen. Ze hadden „station” begrepen in plaats van „spoorlijn”. Er kan geen andere uitleg gegeven worden aan hun magistrale „misser”!
C. L. brengt me naar een klein vertrek op de bovenste verdieping van het station – niemand kan er ons horen of zien – waar ik hem het doel van mijn komst uiteenzet. Ik vertel hem over mijn onderhoud te Antwerpen met W. G.
– Het komt erop aan, verduidelijkt C. L. het verkeer van de militaire treinen zo veel mogelijk te dwarsbomen... en, vanzelfsprekend, de gewone treinen, die in hoofdzaak landgenoten vervoeren die moeten werken om te leven, rustig hun gangetje te laten gaan.
C. L. herhaalt ongeveer wat W. G. me reeds zegde. De treinen zijn onontbeerlijk in vredestijd, daar ze de economie van het land stimuleren en zijn industrie in grondstoffen en arbeidskrachten bevoorraden; ze zijn even onmisbaar in oorlogstijd. Maar ze zijn niet onontbeerlijk op de dezelfde wijze, noch voor dezelfde personen... De spoorweg is, in zekere zin, een tweesnijdend zwaard, naargelang de omstandigheden!
Ik ben overtuigd, C. L. hoeft niet verder aan te dringen.
– Het verkeer van de militaire treinen dwarsbomen zegt hij, om de vijand te verplichten zijn plannen te wijzigen of te laten varen, om zijn materiële en menselijke vermogens aan te tasten. Het verkeer dwarsbomen, desorganiseren, het net gedeeltelijk verminken, lijnen buiten dienst stellen door ze op te blazen of te versperren, het voertuigenpark dunnen, alles saboteren wat de moeite loont gesaboteerd te worden, maar tewerk gaan met verstand en doorzicht, het onderscheid maken tussen het hoofdzakelijke en het bijkomstige, maar daarbij bedenken dat ons land, na het einde van de vijandelijkheden, de spoorweg zal nodig hebben voor zijn wederopstanding...
– Hier, in onze streek, vervolgt C. L., zijn wij nog in het stadium van de organisatie. Wij hebben een tiental mannen waarop wij kunnen rekenen. Die mannen werken alleen of met zijn tweeën. Soms kennen ze elkaar niet eens. Elk heeft zijn eigen specialiteit. De ene saboteert de telefoonlijnen, de andere heeft het vooral op de locomotieven gemunt... Vermits jij niet van de streek bent, zul je als het ware zelfstandig werken, voor je eigen rekening, d.w.z, je bent je eigen baas en verantwoordelijk voor je zelf, de gedragslijn volgend die je werd voorgeschreven door W. G. welke je alleen maar bij mij gezonden heeft om je een en ander uit te leggen...
C. L. geeft me, in grote trekken, een uiteenzetting over de organisatie van zijn groep, waarvan de leden, zo goed als de officieren, een eed hebben afgelegd, zulks dan in handen van een gezant uit Londen, wiens naam ze overigens nooit gekend hebben. Zij handelen naar de bevelen die hen stiekem gegeven worden. En, zoals ze hun bevelen ontvangen, zo krijgen ze ook het sabotagematerieel dat ze nodig hebben. Dat materieel wordt gedropt. De containers steken vol springstof, mijnen, ontstekers, slagsnoeren, plastiekladingen... De mannen van C. L. beschikken over de volledige uitrusting die een volmaakte saboteur moet bezitten. Later heb ik vernomen dat het droppen gewoonlijk gebeurde in de omgeving van Vezon en dat het een landbouwer uit Vaulx was die het materieel ging bijeenzoeken, het per kar naar huis voerde en alles opsloeg onder een veevoedersilo. Natuurlijk bleef het materieel daar niet lang, want naast die centrale opslagplaats, waren er kleinere bergplaatsen hier en daar verspreid in velden, hovingen, in de holte van een oude wilg. Van de hoeve te Vaulx werd het materieel op de rug of met de fiets naar die andere bergplaatsen gebracht, ’s Avonds, wanneer er geen maneschijn was, vertrok C. L. zelf, of een van zijn rechtstreekse adjuncten die zijn bijzonder vertrouwen genoot, om met de fiets veertig kilo dynamiet te gaan halen. Hij leek wel een of andere smokkelaar te zijn die met bloem of aardappelen op gang was. Overigens, gingen de bevoorraders van de zwarte markt, eens de duisternis ingevallen, precies op dezelfde wijze tewerk... Laat ik hier nog aan toevoegen dat, naar mijn weten, de meeste weerstanders van de streek niets van het bestaan van de centrale opslagplaats noch van de kleinere opslagplaatsen afwisten. Slechts drie of vier personen kenden het geheim. Men diende op zijn hoede te zijn...
Voorzichtigheid was geboden, en C. L. zou me alleen maar vertellen wat hij graag kwijt wou. Geruime tijd later ben ik alle bijzonderheden te weten gekomen over de organisatie van de groep waarvan alle mannen, zonder onderscheid, tot het spoorwegpersoneel behoorden. Ze waren in een zekere zin bestendig op ’t terrein van ’t werk. Ze verdeelden het werk onder elkaar, zonder het zelf te weten, want ze kregen hun opdrachten in ’t geheim. De leiders van de groep ontmoetten elkaar geregeld in de achterkeuken van een café, daarna in stillere, meer afgelegen oorden. Er waren ook enkele vrouwen die hielpen. Zij hielden zich meestal bezig met het overbrengen van de briefwisseling. En dan waren er nog andere die eveneens voor postbode speelden, de duiven! De duiven uit het Doornikse, die ook thans nog hun oriënterings- en uithoudingsvermogen bewijzen door in een trek van Poitiers, Angoulême, Royan of Bordeaux naar hun hok te vliegen, hebben tijdens de oorlog flink werk geleverd. Als onopvallende boden, vlogen ze naar het grote eiland, over Noord-Frankrijk en de zee. Onder hun vleugel of aan hun poot was een aluminium kokertje bevestigd waarin een of andere boodschap stak. Wanneer de duiven aangekomen waren, liet de B.B.C. dat in haar boodschap doorschemeren: „Colibri is behouden aangekomen” of „Dank voor Clemenceau”. Onnodig te zeggen dat die boodschappen met ongeduld afgewacht werden. Ginds, aan de overzijde van het kanaal, was men heel en al aandacht om de vruchten van het gevaarlijke labeur der weerstanders in de bezette gebieden te vergaren. Ik herinner me nog met welke vreugde ik, vier maanden na de plotselinge verdwijning van een mijner vrienden die besloten had naar Engeland uit te wijken, door radio Londen het gebruikelijke bericht hoorde omroepen: „Coco groet Lulu”, waaruit bleek dat hij goed en wel ter bestemming aangekomen was...
Maar laten wij terugkomen op mijn onderhoud met C. L.
– Ziehier waaruit ons en dus ook uw werk bestaat . het verkeer van de militaire treinen dwarsbomen, het oorlogspotentieel van de Duitsers verminderen, hun gevechtsmacht aantasten... Een voorbeeld. Enige tijd geleden vertrok er elke nacht uit Doornik een lange trein, geladen met stro, met bestemming naar Brussel. Welnu, wij hebben er een vuurzee van gemaakt en aldus heel wat wagens vernield en de sporen versperd gedurende een halve dag! Dat was nu wel geen stunt, maar indien ik je hierover spreek is het omdat wij geruime tijd vruchteloos naar de methode hebben gezocht om deze slag te slaan. Verschillende pogingen bleven zonder gevolg tot de dag, of liever, de nacht dat we, verborgen op een seinpaal, ongeveer op elke wagen een brandend stukje jute, ter grootte van een briefkaart hebben geworpen. Het duurde niet lang of de hele trein was in een vlammende slang omgetoverd...
Bron: Het Spoor, maart 1969
Rixke Rail’s Archives
