Homepagina > Het Spoor > Wist U dat ? > Europa: Gemeenschappelijk gebruik van wagens
Europa: Gemeenschappelijk gebruik van wagens
zondag 24 november 2024, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Het gemeenschappelijk park dat in 1953 door 9 Europese spoorwegnetten werd opgericht, telt thans 210.000 EUROP-eenheden: gesloten wagens en bakwagens (zie „Het Spoor” nr 43 van maart 1960).
Onder het EUROP-stelsel mag elke spoorwegonderneming die wagens als haar eigen wagens gebruiken. De ritten zonder lading zijn beperkt tot de compensatieritten. Door middel van die compensatie beschikt elke spoorwegonderneming elke dag over zoveel EUROP-wagens als ze er zelf voor het park beschikbaar heeft gesteld.
Op 1 januari 1968 werd een nieuwe overeenkomst, de z.g. Poolovereenkomst, ingevoerd voor het gemeenschappelijk gebruik van ongeveer 38.000 tweeassige platte wagens van het eenvormig gemaakte UlC-type (zie „Het Spoor” nr 143 van juli 1968).
De EUROP-commissie legt er zich thans op toe een fundamenteel verschillende formule uit te werken voor het gemeenschappelijk gebruik van de wagens. Bij een eerste etappe zouden de regels voor de deelneming vanaf 1 januari 1970 verruimd worden, opdat na een zeer korte tijd andere typen van voertuigen bij de verzameling van de gemeenschappelijke wagens zouden kunnen gevoegd worden. Aan de 248.000 wagens die thans reeds gemeenschappelijk worden gebruikt, zouden 75.000 wagens van nieuwe typen worden toegevoegd.
Door de verruiming van de deelnemingsregels zou elke spoorwegonderneming tot de EUROP-gemeenschap kunnen behoren en ook kunnen deelnemen aan de overwogen uitbreiding, zelfs als ze geen enkele wagen van een of van verscheidene van de te gebruiken typen bezit of er maar een onvoldoende aantal van heeft omdat ze er geen nodig heeft of haar behoeften nog zeer gering zijn.
Bron: Het Spoor, augustus 1969
Rixke Rail’s Archives