Homepagina > Het Spoor > Gedicht - Lectuur - Schilderij > Georges Brassens en de spoorwegen
Georges Brassens en de spoorwegen
woensdag 25 februari 2026, door
Een van de redacteurs van ons tijdschrift loopt bij Georges Brassens vrij in en uit. Een enige gelegenheid dacht hij zo om met de bekende Franse chansonnier bijvoorbeeld even over het thema van de spoorwegen te bomen.
Wellicht herinner jij je nog, mijn beste Georges, dat je me vroeger, tijdens een van onze vele babbeltjes, af en toe over de spoorwegen hebt gesproken. Ik zou het jammer vinden mijn vrienden-spoormannen zulks te verzwijgen. Met jouw goedvinden zou ik je hierover dan ook graag opnieuw enkele vragen willen stellen.
Ga je gang. Als je werkelijk denkt dat het belangrijk is.
Je hebt me eens gezegd dat de Chaix – de treingids van de SNCF – als ’t ware het lievelingsboek van je vader was.
Dat klopt, ik geloof zelfs dat hij hem schier van buiten kende. Je hoefde hem maar te vragen waar je naartoe wilde of dadelijk kreeg je een complete reisweg, inbegrepen de stations en eventuele aansluitingen. Voor de lange afstandslijnen, zoals bijv. de PLM, vraag ik mij zelfs af of hij niet wist hoe het verkeer er grosso mode reilde en zeilde. Hij hield hartstochtelijk van de Chaix, die hem ze gezellig kon bezighouden.
In zijn diepste binnenste was hij wellicht een beetje spoorman?
Misschien zal ik je teleurstellen, maar dat geloof ik niet. Mijn vader woonde te Sète en was graag zeeman geworden. Eigenlijk niet zo verwonderlijk. Maar toen hij uit de oorlog terugkwam, leerde hij mijn moeder kennen die een oorlogsweduwe was. Ze trouwden en twee jaar later werd ik geboren. Omdat mijn vader voor het onderhoud van zijn gezin diende te zorgen, was hij wel verplicht zijn plannen te laten varen. In plaats van de zeeën te bevaren, is hij doodeenvoudig metser geworden...
Reizen in de geest
En dan heeft hij alleen nog maar per spoor gereisd?
Zelfs dat niet. Hij verliet zelden Sète, weet je. En als hij het deed, gebeurde het per fiets. Soms nam hij me mee. Ik herinner me nog dat we op die manier meermaals heen en terug reden van Sète naar Aigues-Mortes, en dat op één dag. ’n Heel stukje weg, hoor! De Chaix was voor hem heel eenvoudig een middel om te reizen zonder zich te moeten verplaatsen, om zijn hang naar aardrijkskunde te kunnen bevredigen. Hij hield van aardrijkskunde: weten waar een stad. een eiland, een land lag...
Een dergelijke voorliefde voor de Chaix zou ik bij iemand anders dan mijn vader wellicht volslagen gek gevonden hebben. Ik was er echter van overtuigd dat het voor hem meer dan een doodgewone manie was. De Chaix was als het ware een droom, een avontuur. Verdiept in de treingids, heeft hij ongetwijfeld fantastische reizen gemaakt, voor hem als ’t ware het toppunt van zijn geluk.
En jij las het tijdschrift van de SNCF – de voorloper van „La vie du rail”?
Tja, lezen is veel gezegd. Ik keek het wel eens in. Maar het was vooral mijn vader die het las vanwege de verwantschap met de Chaix.
Was je geabonneerd?
Ik denk het niet. Ik geloof dat mijn vader dat tijdschrift van de een of andere buurman kreeg (in die tijd waren buren nog geen vreemden voor elkaar). In de rue de l’Hospice, waar ik woonde, en in de aanpalende straten had je heel wat spoormannen: inwoners van Sète. maar vooral „immigranten” die op het station werkten. Mijn moeder verhuurde ook een kamer; het kan best zijn dat ze ook een tijdje door een bediende van de SNCF betrokken werd.
Je moet ook weten dat we bevriend waren met de stationschef van Sète. Kortom, het is bijna zeker dat een van hen het tijdschrift aan mijn vader doorgaf. Ik keek het even in als ik het toevallig in de handen kreeg.
Vond je het boeiend?
Vanzelfsprekend. Zoals alle kinderen denk ik.
Misschien komt het daardoor dat je moeder er op een zeker ogenblik aan dacht je bij de SNCF in dienst te laten treden?
Nou, gelet op mijn leeftijd, zou dat wel vast voorbarig geweest zijn.
Zoals de meeste ouders, raadpleegde ook mijn moeder de onderwijzer over mijn geschiktheid voor verdere studie. Het gunstig advies van de goede man (in mijn ogen dwaalde hij daaromtrent volkomen) was voldoende om haar steevast te laten zeggen: „Als hij goed leert, mag hij voor dokter studeren. Zoniet, maken we er na zijn baccalaureaat een stationsbediende van”.
Stationsbeambte of bestuurder
Alles goed en wel beschouwd, heeft het dus niet veel gescheeld of je was spoorman...
Let wel, geen spoorman: stationsbeambte. Ik zei je al dat mijn vader metser was. en mijn moeder – zoals alle moeders, denk ik – hoopte dat ik het toch wel wat verder zou schoppen dan gewoon maar werkman. Nu was het bij ons te Sète zo dat een spoorman veeleer een werkman was in blauwlinnen pak: machinisten, stokers, lampenisten, enz. De stationsbeambten echter waren, zoals men zei, zij die schrijfwerk verrichten. Ze droegen een hemd met boord, een stofjas, hadden propere handen en leken het wel beter te hebben. Het waren functionarissen. Niet dat de werk-mensen voor mijn moeder van geen tel waren, verre van zelfs. Ze wou me alleen maar een minder hard bestaan bezorgen, meer niet.
Je bent geen „stationsbeambte” geworden, maar je hebt me eens gezegd dat, als je geen zanger geworden was, het enige beroep dat je graag zou hebben uitgeoefend bestuurder van een diesel- of elektrische locomotief zou zijn geweest.
Ja, eigenlijk meen ik niet dat ik zo een aanleg had om wat anders te doen dan liedjes te maken en te zingen (wat misschien geen beroep is in de betekenis die doorgaans aan dat woord wordt gegeven). Maar indien ik dat beetje begaafdheid niet had meegekregen, meen ik dat het beroep van treinbestuurder inderdaad het enige is dat ik zonder al te veel kleerscheuren zou hebben kunnen uitoefenen. Nu beweer ik niet dat ik erin zou zijn geslaagd een goed bestuurder te worden. Ik wil enkel maar zeggen dat ik het eenzaam omgaan in een bestuurderscabine met handels en pedalen wel prettig zou hebben gevonden. Valt nog te bezien wat het in werkelijkheid zou worden.
In feite, heeft de SNCF een bediende verloren maar heeft het chanson erbij gewonnen.
Misschien...
Hoe dan ook, jij houdt van de trein?
Beslist. Toen ik nog een kleine jongen was en bij mijn tante in Parijs op vakantie ging, reisde ik met de nachttrein. Ik herinner me overigens dat het in de vroege ochtenduren in de omgeving van Dijon erg koeltjes was in de coupés.
In 1940 heb ik een vrij eigenaardige treinreis meegemaakt. Je weet dat ik in 1939, nadat ik mijn studie opgegeven had, in de Parijse voorstad werkte als fabrieksarbeider. Toen de Duitsers Parijs naderden, ben ik met een vriend naar het Zuiden teruggekeerd: in een kolenwagen tot Laroche, daarna op een opstapplank tot Sète.
Dat scheelt wel even met de „sleeping du Paris - Méditerranée” die je in „La supplique” evoceert.
Kan ik geloven!
Bron: Het Spoor, oktober 1975
Rixke Rail’s Archives