Homepagina > Het Spoor > Geschiedenis > 1926-1976 > 50, een rond getal
50, een rond getal
Bert Vroen.
woensdag 27 mei 2026, door
Mensen schijnen een ingeboren voorliefde te hebben voor ronde getallen. In die mate zelfs dat ze er graag feestjes aan vastknopen. Persoonlijk zie ik niet goed in waarom vijftig zoveel belangrijker zou zijn dan éénenvijftig of negenenveertig, maar dat zal wel aan de traditie liggen. Net als het feit dat, naarmate het ronde getal hoger wordt, ook het feest in luister toeneemt en duurdere namen krijgt. Van zilver via goud naar diamant. „Onze” spoorweg is voor het ogenblik aan het goud toe, wegens het bestaan van een halve eeuw. Ik zeg: „onze” spoorweg, in de eerste plaats omdat de „ijzeren weg” er al was lang vóór de NMBS er kwam. En in de tweede plaats omdat ik zelf al meer dan de helft van dat bestaan heb gedeeld. Met alle lief en leed eraan verbonden. Wat meteen inhoudt dat, al heb ik de heroïsche pionierstijd dan gemist, ik toch ook al een paar hoogtepunten heb mogen meemaken. Glanspunten waaraan zo goed als zeker voldoende aandacht zal worden besteed tijdens de officiële viering. Ik kan me dus maar best de moeite besparen ze hier ook nog eens op te sommen.
Men zal het mij hopelijk niet kwalijk nemen dat ik enigszins anders tegen de retrospectieve aankijk, me bij die viering als het ware een tikje marginaal opstel en dingen ga memoreren waar men bij een academische zitting meestal over zwijgt. Gewoon omdat ze niet academisch genoeg klinken. Want kijk, er zal vermoedelijk wel „champagne” aan te pas komen op één of andere plechtige dag, waar de doordeweekse man wel naast zal graaien. Er zal her en der wel een lintje uitgereikt worden, al dan niet vergezeld van een amicaal schouderklopje van de minister. Dat hoort er nu eenmaal bij en dus geen kwaad woord daarover. Men zal bij dergelijke gelegenheid wellicht ook heel plechtig praten over de doorlopen evolutie, de voortschrijdende techniek en over de rol van het spoor in de economie en in het Europa van morgen. En dat mag voor mijn part ook nog allemaal. Misschien zal een sociaal voelend spreker het ook heel even hebben over de mensen die het allemaal mogelijk hebben gemaakt. Maar dan zit de kans er dik in dat die eerbiedwaardige spreker zich glad vergaloppeert en hoogdravend gaat oreren over paraatheid, opofferingsgeest en bestendig op de bres staan. En dusdoende een geïdealiseerd beeld gaat ophangen van de gemiddelde spoorwegman, dat, vrees ik, een tikkeltje afwijkt van de naakte werkelijkheid. Want al bevat dat aureool van plichtsbesef dan zeker een grond van waarheid – en daarvan ben ik heilig overtuigd – ik vind het toch altijd lichtjes overtrokken.
Niemand zal me bijvoorbeeld kunnen wijsmaken dat een man die in het holst van de nacht wakker schrikt van een hardvochtig rinkelende wekker, niet eens hartsgrondig sakkert op dat rotding of dat een man die zich op een onmenselijk uur, kreunend van de vaak, moeizaam uit zijn knusse bed moet hijsen, zich ook nog een stoere steunpilaar van de NMBS gaat voelen. Waarmee ik maar wil zeggen dat er wel eens een hemelsbreed verschil kon zijn tussen het waas van romantiek dat rond het spoorwegbestaan geweven wordt en de nuchter ervaren realiteit. Dat de rangeerder die in de gutsende regen een trein moet klaar maken op dat moment beslist niet in zijn nopjes is. Dat de treinbestuurder die zijn ogen pijnigt in de dichte mist, om zijn trein accuraat aan een schaars verlicht perron te laten stoppen, zich wel eens zal beklagen over zijn lot. Dat de elektricien die in een gure winternacht aan een catenapaal, om den brode in zijn gordel hangt, zich nou niet precies onmiddellijk gelukkig voelt. Het is puur menselijk en doet niets af aan hun verdienste. Ik zou kunnen doorgaan met een lange reeks, een waaier van veelzijdigheid en dan nog zou ik de helft vergeten van dit anonieme leger van helden zonder glorie. Overigens heb ik nog met geen woord gerep over alle vrouwen die dit aparte leven moeten delen, op de meest onmogelijke momenten met koffie en boterhammen moeten klaar staan en als beloning dan ’s nachts eenzaam en met koude voeten in hun bed liggen. Of over de kinderen die hun vader soms een hele week niet of heel sporadisch zien, de morele steun bij huiswerk missen en op de koop toe nog op de toppen van hun tenen moeten lopen omdat vader nodig slapen moet.
Denk nou heus maar niet dat ik met dit alles wou afbreuk doen aan de jubileum-luister. Integendeel, door even de schaduwzijde van de herinneringsmedaille te belichten, wou ik iets van de gouden glans van dit memorabele moment laten stralen over een beroep dat bijna aan een roeping grenst. Om op mijn manier hulde te brengen aan „de” spoorwegman zoals hij werkelijk is: een type dat nergens nog zijn weerga vindt, ogenschijnlijk nooit content is en steeds maar kankert op de harde kanten van zijn beroep, maar die het toch niet missen kan. Hij heeft het als een virus in zijn bloed en is er mee gegroeid. En, al geeft hij ’t zelden toe, hij draagt een treintje in zijn hart, al het sjamfoeteren ten spijt...
Bron: Het Spoor juli 1976
Rixke Rail’s Archives