Homepagina > Het Spoor > Personeel > Met lange Odon op de machine

Met lange Odon op de machine

R. Bayot.

maandag 8 juni 2026, door Rixke

Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]

De h. René Bayot was 20 jaar lang eerste stationschef te Brussel-Zuid. Hij ging in september 1975 met pensioen. Om ons een genoegen te doen heeft hij erin toegestemd ons een herinnering te vertellen uit zijn kinderjaren, de tijd van de Staatsspoorwegen en, vanzelfsprekend, van de stoommachines.

In zijn verhaaltje is hij erin geslaagd opnieuw de knaap te worden die hij meer dan een halve eeuw geleden was. Overigens heeft hij zich met een dergelijke onbevangenheid in die sfeer van het verleden ondergedompeld dat wij het precies daarom prettig vinden de neerslag van zijn „excursie” te publiceren.

Toen ik een knaap van tien was, woonden wij in een station eerste klasse, waar tevens een locomotieven-depot gevestigd was.

Een van onze buren was „Lange Odon”, een machinist die me als zijn beste vriend beschouwde. En terwijl hij me allerhande acrobatentoeren leerde, sprak hij me over zijn beroep waarop hij zo trots was. Hij toonde me zijn lijnboekjes (?) waarin de seinen in kleuren waren afgebeeld, sprak over zijn werkrooster, over zijn locomotief type 32 (die later type 41 geworden is), enz.

Daar wij vlak tegenover de kleine vorming van dat station woonden, ging ik aldaar vaak mijn boezemvriend zien voorbijrijden of rangeren. In mijn diepste binnenste koesterde ik de hoop eenmaal op zijn machine te mogen klauteren. Groot was dan ook mijn vreugde toen Lange Odon me tijdens de vakantie uitnodigde voor een ritje van een dertigtal kilometer heen en terug. Het gebeurde ’s avonds tussen 7 en 8.30 u.: een bijzonder gunstig ogenblik vermits er dan maar weinig reizigers waren en de kans uiterst klein was dat we „verraden” werden. Met een bang hartje klom ik op de locomotief waar ik onmiddellijk kennis maakte met de stoker. Deze „zwarte duivel” was zijn „meester” zo toegewijd dat hij dezes bevelen als het ware voorkwam. Hun beider liefde voor hun beroep, dat in die tijd nog erg zwaar was, had hen echter als broeders leren samen leven, zodat ze in feite op dezelfde „trap” stonden: ’s winters hadden ze het immers beiden even warm van voren en even koud van achteren. Hun machine was hun troetelkind: het koper glom steeds als een spiegel en telkens als er een vracht kolen in de vuurhaard verdwenen was, werd de voetplaats van het machinistenhuis netjes geveegd. De signalen waren het voorwerp van een onafgebroken waakzaamheid, maar ook de manometers en andere peilglazen werden geregeld in ’t oog gehouden.

Kortom, daar stond ik op de wankele vloer van Lange Odon die me de raad gaf me te verstoppen achter de deurtjes van de locomotief telkens als de trein een station binnenreed!

Eenmaal vertrokken verkeerde ik in een onbeschrijflijke staat van opwinding. Ik mocht de régulateur bedienen, de rem, de verstelhefboom en vooral de stoomfluit die ik in volle veld enkele malen liet gillen.

Nadat we in het locomotievendepot terug waren en de trein hadden uitgerangeerd, mocht ik zelf de locomotief laten stoppen, terwijl Lange Odon aandachtig en geamuseerd toekeek.

Die nacht droomde ik van treinen, signalen, stations en wonderlijke ritten...

Nu nog, meer dan vijftig jaar later, denk ik met vertedering terug aan die brave, onbehouwen man, die mijn kinderhart met zoveel vreugde heeft vervuld.


Bron: Het Spoor september 1976