Homepagina > Het Spoor > Geen zorgen voor de tijd

Geen zorgen voor de tijd

Kees Middelhoff.

zaterdag 11 juli 2026, door Rixke

De Europese vroede vaderen in Brussel en hun confraters in Europa’s nationale hoofdsteden kunnen op slag jaloers worden als zij weten dat paus Gregorius XIII de morele moed opbracht radicaal een eind te maken aan de chaotisch verwarde tijdsbepaling in Europa tot het eind van de 16e eeuw. Kon het in Parijs 15 maart zijn, dan wees een kalender in Londen 10 maart aan; in Constantinopel vierde men op de zelfde dag de heilige van de 17e maart. In 1S82 hakte Paus Gregorius XIII de knoop door en gaf Europa één kalender. De aarzelaars hield hij voor: „Het staat geen mens vrij om met verwaten durf tegen onze voorschriften in te gaan. Indien iemand zulks toch zou vermeten te bestaan, hij wete dat hij de toorn Gods zal belopen en die van de heilige Petrus en Paulus.” De dames en heren in Brussel mogen getroost zijn: ondanks de geslingerde banvloek duurde het tot 1823 eer het laatste land in Europa, Zweden, zich bij de uniforme Gregoriaanse kalender aansloot.

Het was vorig jaar maar een warboel met de tijd. Het leek erop dat godin Europa weer naar de schoolbanken moest om te leren „klok-kijken”! Vier van de negen lidstaten van de Gemeenschap hielden in drie verschillende perioden zomertijd aan. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland zetten de klok van 21 maart tot 24 oktober een uur vooruit; Frankrijk deed dit van 28 maart tot 26 september en Italië van 30 mei tot 25 september. In het Verenigd Koninkrijk en Ierland was er gedurende de zomertijd één uur verschil met de daar gebruikelijke Greenwich Mean Time; in Frankrijk en Italië bedroeg dat verschil twee uur. Daar gaat in 1977 verandering in komen. Europa gaat in elk geval op de zomertijd-toer, maar van een echt gecoördineerd beleid is nog lang geen sprake.

De Europese Gemeenschap heeft nu besloten om haar bewoners zoveel mogelijk van dienst te zijn door ze de zomertijd te gunnen. Haar goede wil heeft een extra duwtje gekregen door de energie-crisis, want de zomertijd mag dan medebepalend zijn voor het avondlijk geluk van Europeanen, het invoeren betekent heel praktisch: sparen op krachtbronnen. En de Commissie houdt ieder al enkele jaren voor zuinig te zijn op de energiebronnen.

Nu op 4 juli II. is herdacht dat de Verenigde Staten zich 200 jaar geleden onafhankelijk verklaarden van Europa, is het misschien zinvol te luisteren naar die Amerikaan van het allereerste vrijheidsuur: Benjamin Franklin.

In 1777 ging hij de jonge Amerikaanse Republiek vertegenwoordigen bij het hof in Parijs. Pruikerig Parijs was haast decadent verliefd op het prototype van de rechttoe-rechtaan-Amerikaan die de slim-intelligente planterszoon Franklin was. In dat gemaniëreerde Parijs van die dagen vertelde hij onomwonden de waarheid ook aan hen die hiervan niet gediend waren. Zo liet hij zich ontvallen: „Alleen al in Parijs kan gedurende de zomermaanden 96 miljoen in Tours geslagen ponden worden bespaard, als de mensen méér gebruik maakten van het kosteloze zonlicht. leder die met blinden de vensters gesloten houdt om het zonlicht te weren, moet beboet worden. leder mag slechts een pond kaarsen per week verbruiken. Alle klokken van Parijs moeten bij zonsopang luiden.” Dit centraal wekkersysteem werd bedacht door Franklin die in zijn dagen toch met de titel „vriend der mensheid” gelauwerd was. (Benjamin’s vader moet zich overigens in zijn graf hebben omgedraaid: hij was kaarsenmaker). Franklin wilde niet anders dan energieverspilling voorkomen. Maar Europa – laat staan Parijs – was verre van ingesteld op dat prille Amerikaanse pragmatisme van „tijd is geld”.

Wat is tijd eigenlijk?

De Afrikaanse Europeaan Augustinus speelde al met het begrip tijd toen hij stelde: „Als niemand mij vraagt wat tijd is, dan weet ik het; moet ik het iemand uitleggen omdat hij mij ernaar vraagt... dan weet ik het niet meer.” Het enige dat wij als stervelingen weten is dat tijd voor ons verstrijkt tussen geboorte en dood. En alle spreekwoorden in Europa duiden er dan ook op dat wij vinden dat die spanne tijds veel te snel verloopt. In allerlei varianten kom je in Europa’s vele talen gezegden tegen als deze: „Deze tijd is snel, gebruik hem wel.

Onder vele uurwijzers wordt de mens voorgehouden wat de Amsterdammer onder zijn beursbengel kan lezen: „Duur uw uur” en „beidt uw tijd”. Trouwens, etymologisch gaan de woorden tijd, temps, time, Zeit terug op het werkwoord scheiden, afscheiden, opdelen van de spanne tijds.

De eersten die de Europeanen geleerd hebben gedisciplineerd met het begrip tijd om te gaan, zijn de ontwikkelingswerkers van het eerste uur geweest, het vredeskorps van St. Benedictus. Zijn monniken deelden de tijd in door om de zoveel uren (in lengte ’s zomers en ’s winters variërend) de getijden biddend te vieren. Deze in kloosters beoefende ascese des tijds, dit spaarzaam met tijd omgaan, werkte door naar de basis, naar de boeren op het platteland, naar de stedelingen in de 13e en 14e eeuw; uiteindelijk leidde dit systematisch omgaan met tijd tot de mogelijkheid van de industrialisatie in de 19e eeuw.

Tussen die grove tijdsaanduiding van de vroegmiddeleeuwse kloosters en de 200ste seconde verschil in aankomsttijd van twee wereldkampioenen ligt de wereld van uitvinders en natuurkundigen.

Van de vele ontdekkingen die de mens heeft gedaan, is de tijd de meest ambigue. Als een tovenaarsleerling heeft hij de tijd opgeroepen, en hij is er de gevangene van geworden. Tijdelijkheid en eindigheid hebben zijn leven doordrongen, en al zijn doen en laten doortrokken met dat geheimzinnig ding dat hij achteloos „de tijd” noemt.

L. Vander Kerken

Wat was precies één seconde? Die hartslag van de tijd wordt bepaald door de omwenteling van de aarde rond de zon en één seconde is dan 1/86400ste deel van een „middelbare” zonnedag. Dat is de tijdsduur die verloopt tussen de twee hoogste standen van de zon; een „middelbare” zonnedag, want moeder aarde is in haar bewegen geen constante. Er waren voor de Europese mens vroeger belangrijker verschillen dan die honderdste seconde verschil in de aardomwenteling; onze voorouders waren het om te beginnen al helemaal niet met elkaar eens over het antwoord op de vraag hoe laat is het eigenlijk? Lang voor Einstein het héél ingewikkeld zou berekenen, hadden zij al bedacht dat elke tijdsbepaling betrekkelijk is. Naar jaren gerekend kende de gemeenschap vroeger een parlementair jaar dat bijvoorbeeld in september begon, het kerkelijk jaar dat vanaf de eerste zondag van de Advent begon te tellen; de Romeinen vierden nieuwjaar op 1 maart (zodat onze laatste maanden nog altijd 7e, 8e, 10e maand heten, september t/m december); de burgerlijke dag van het nieuwe jaar was 1 januari; de Fransen achtten hun vrijheid zo oorspronkelijk dat zij op 14 juli 1789, de explosie van de Franse revolutie, de hele jaartelling opnieuw lieten beginnen.

Wat het uur betreft was het al niet veel anders. Met welk uur begin je de uren af te tellen? Wij zijn nu gewend 12 uur middernacht als nul uur te noteren, maar tot diep in de 18e eeuw sloeg het eerste uur (in Italië b.v.) bij zonsondergang, het uur waarop de mediterrane mens kennelijk begon te leven. Elders in Europa begon men zonsopgang als eerste uur te rekenen. Maar de zon gaat niet elke dag op hetzelfde uur op noch onder. In Rome was dan ook een legioen van klokkenbijstellers, maar of zij hun werk altijd even goed deden? In 1757 merkte een Franse reiziger op dat je er in de „eeuwige” stad „niets van merkt als je een slecht lopend horloge op zak hebt”. Feit is dat van stonde af aan de stand van de zon bepalend is geweest voor de tijdsindeling in Europa. De schaduw was dan de meetlat. Er zijn uitspraken bekend voor een rendez-vous als deze: „We ontmoeten elkaar tegen het uur dat de lichaamsschaduw twintig voeten lang is.” In Stonehenge gaf de plaats van de schaduw van de wónderstenen het uur van de offergang aan. Athene kende al een achtkantige toren die goed zichtbaar naar vele kanten, door schaduwwerking aangaf hoe laat het wel moest zijn. Dan waren er de uit Egypte overgebrachte horloges, de obelisken, die op de pleinen van de Romeinse steden een indicatie gaven van de tijd. Zo goed functioneerde die georganiseerde tijdsbepaling, dat Lucullus de wanhoop nabij was. Deze veelvraat vervloekte „de Goden die de uren hadden bedacht; vroeger was mijn buik de klok en een zeer goede, want hij maande steeds tot eten; maar nu wordt er niet anders gegeten dan gedicteerd door de zonnewijzer of de buik het wil of niet”.

In de middeleeuwen is het gebedsrooster van de monniken bepalend voor de dagindeling van Matutina tot Vespers. Daar waar geen klooster was, waren het vaak de bergen. In het Zwarte Woud werden de uren genaamd naar de bergtoppen die al dan niet door de zon beschenen werden. In de tot ontwikkeling gebrachte steden stonden waterlopers die met een zekere precisie aanduidden hoe laat het moest zijn. De vader van Europa’s beschaving, Karel de Grote, had deze tijdmeter afgekeken van de kalief van Bagdad: een koperen vat met twaalf vakjes, die om de beurt leeg liepen.

Bekend zijn verhalen over straffen die aan goocheme tijdrekkers werden toebedacht omdat zij het water verdikten of de gaatjes vernauwden. De middeleeuwse maatschappij moet al zo bewust op tijd georganiseerd zijn geweest, dat Jan zonder Land begin 13e eeuw een edict uitvaardigde met de bedoeling opstandige steden collectief te straffen door gedurende een bepaalde tijd te verbieden dat de klokken zouden luiden: de samenleving was dan prompt „van slag af” en gedesorganiseerd.

De middeleeuwse steden kenden algauw de geseculariseerde tijdsaanduiding, de klokketoren. Milaan 1336, Brugge 1345, Straatsburg 1352, Brussel 1362, enz. In de Lage landen versierde men de tijd door elk kwart-uur van een voorslag of vierslag te voorzien: het quadrillon of carillon. Daarnaast bleef de klok luiden voor algemene tijdsbepalingen als het „vuren doven” (couvre-feu, curfew, die Feuerglocke); het „hoogste tijd” werd door de bier- of de wijnklok aangeduid.

Elke stad had zijn eigen tijd-bewaarders, maar, omdat de mensen nooit gelijktijdig contact hadden met een plaats op aarde waar de zon niet iets eerder of later op zijn hoogtepunt stond, was er aan een uniforme tijdsbepaling per regio, laat staan per land, behoefte. Nergens kom je dan ook in brieven van de graag mopperende Erasmus tegen dat hij boos was op stad x of y omdat de klokken niet gelijk liepen.

Wie een halfjaar geleden van Londen naar Athene reisde via Frankrijk, Zwitserland, Italië en Joegoslavië, moest zijn horloge bij aankomst in Frankrijk een uur vóór zetten, in Zwitserland een uur achter, in Italië een uur vóór en in Joegoslavië een uur achter. Bij aankomst in Griekenland moest de klok ten slotte twee uur worden voorgezet...

Het is de vraag of de middeleeuwse mens wel zo erg geïnteresseerd was in precisie-tijd, zoals wij nu moeten zijn omdat een trein om 07.59 kan vertrekken, een bus om 00.01 uur kan aankomen. Eerst na 1600 komt de minutenwijzer op de wijzerplaat en het duurt heel lang voor deze minutenwijzer dezelfde versiering krijgt – en dus gelijkwaardig is aan – de wijzer die de uren aanduidt. Sinds de 19e eeuw is in Europa de minutenwijzer zelfs groter dan de uuraanwijzer. Het is overigens de zeevaart die om precisie van de tijd gevraagd heeft. De mechanische instrumenten om nauwkeurig de tijd te bepalen zijn op het land gepopulariseerd, precies zoals nu de handzame computers van de ruimtevaart voor huishoudelijk gebruik in de handel zijn gebracht.

In 1740 looft de Engelse regering dertigduizend pond uit voor een kleine precisieklok.

In 1676 was in Groningen al een „korte, en grondige Verhandelinge” uitgegeven door „Ingenieur Henric Bierum waer in Aengeweesen wordt hoe men door de Snijdinge van een Eeven-wijdt-grondt op alle Platte Vlacken Sonne-wijsers beschrijven kan.” De zonnewijzer is het sierlijke statussymbool van de 18e eeuwse burger, trots op zijn tweede huis. Hij wordt al gauw verkleind van sieraad in voor- of achtertuin tot vestzakhorloge. De zak-zonnewijzer, gevat in ivoor, compleet met mini-kompas en slingertje; alleen de zon werd niet bijgeleverd. In het deksel van dit zonnezakhorloge stonden plaatsen en cijfers gegraveerd, als b.v. Moscav 58; Hamburg 54; Brussel 51; Parma 42 enz. De cijfers, omdat de zon niet overal en ten allen tijde onder dezelfde invalshoek scheen en schijnt. Het verschil in tijd omdat de zon niet overal op hetzelfde uur het hoogst aan de hemel staat, is niet eerder een werkelijk probleem geworden voor de Europese burger dan begin 19e eeuw toen men contact met elkaar kon hebben zonder elkaar te kunnen zien: de telegraaf en niet veel later de spoorwegen. Het is dan dat behoefte ontstaat aan een uniforme tijd, dat de klokken van Haarlem en Amsterdam, van Milaan en Turijn, Antwerpen en Brussel, enz. gelijk moeten gaan lopen. Even tevoren trouwens hadden verschillende regio’s van Europa al hun standaardtijd gekregen: Genève 1780, Berlijn 1810, Parijs 1816, een soort middelbare regio-tijd. Het is begin 19e eeuw dat het verschil er komt tussen de ware tijd (temps vrai, apparent time) en de officieel, ambtelijk overeengekomen zogeheten middelbare tijd (temps moyen; mean time). Eerst wordt die in feite fictieve maar wel noodzakelijke „Middelbare Tijd” per land geregeld. De spoorboekjes, midden vorige eeuw, geven een hele tabel te zien van Petersburger tijd, Prager tijd, Pester Tijd, Pariser tijd, enz. In Engeland wordt voor het hele United Kingdom één tijd vastgesteld en wel die van het observatorium in Greenwich, in 1848; Zweden krijgt zijn eigen nationale middelbare tijd in 1879. De internationale spoorboekjes zijn dan dus echt „time-tables”, niet alleen in Europa, ook in Amerika. Het Amerikaanse spoorboekje van 1873 was voorzien van een tijd-tafel met 61 lokale tijden; in 1883 al verminderd tot 50; uiteindelijk kreeg Amerika vier standaardtijden voor het gehele continent wettelijk vastgelegd. Hoe moeilijk het wel was om in Zwitserland midden vorige eeuw op tijd te reizen, mag blijken uit het feit dat de kantons rond de Bodensee vijf verschillende tijden aanwezen. Steek dan maar eens op tijd per veerboot over.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw groeide in de westerse wereld vrijwel tegelijk behoefte aan een mondiale standaardtijd. In Canada werd in 1878 een wereldtijdcongres belegd. In 1884, in Washington, werd besloten om de middelbare tijd van het Greenwich-observatorium als absolute tijd aan te houden; vandaaruit zou de wereld in tijdzones worden ingedeeld. Frankrijk had voorgesteld de Parijse tijd als wereld-standaardtijd aan te houden; toen Engeland en Frankrijk het moeilijk met elkaar eens konden worden, probeerde een congreslid de prestigeslag te overstijgen met het voorstel om de tijd in Jeruzalem als standaard-tijd voor de wereld te gebruiken. De meeste landen hebben de Greenwich-tijd algauw als standaard-tijd aanvaard. Frankrijk, Nederland en België namen de Greenwich Mean-Time als tijdsbepaling over, maar zomer 1908 ging Nederland zijn eigen weg, en besloot de Amsterdamse Tijd aan te houden als nationale tijd, dat is GMT plus 20 minuten. In Engeland was de eerste klok met een precisiemechanisme de Big Ben, moeder van alle klokken in het United Kingdom.

Het geluk dat de wereld voor het eerst met zijn eigen tijd in het reine was gekomen, werd gauw overschaduwd doordat zo’n modale tijd in de zomer niet altijd de meest voordelige was om van de zonneschijn te profiteren; het probleem van de zomertijd meldde zich. De vraag om zomertijd werd actueel tijdens de eerste wereldoorlog: energiebesparing. De boeren hadden er het minste mee op; zij ’gingen af op het ingebouwde klokje van elke melkgevende koe; de kippen, zo meenden zij, hadden lak aan menselijke standaardtijden en gingen op stok met de ondergaande zon; ze raakten maar van slag af bij het invoeren van wintertijd en zomertijd. In Nederland betekende dat, dat men naast de stadstijd of Amsterdamse Tijd de boeren-tijd had. Nederland was nog een agrarisch land in die dagen.

Advies van eeuw geleden over precisie-klok

Wanneer er sprake mogt zijn van eene goede plaatsing van een uurwerk, dan is het zaak dat zulk eene plaats de voorkeur verdient waar de minste verandering van warmte voorvalt; dit is alzoo zoo veel mogelijk binnenshuis. Men zorge vooral, dat de stralen der zon niet onmiddellijk het uurwerk kunnen treffen, en indien dit, door eene geschikte plaatsing, al niet te vermijden is, dan belette men het doordringen der stralen, door een of ander scherm voor het uurwerk te stellen. Dat overigens het vertrek droog moet zijn, spreekt van zelven. Even zoo is het duidelijk, dat men het uurwerk zoo veel doenlijk tegen kleine schokken en trillingen moet vrijwaren. Men stelle het dus niet op eenen vloer, maar hange het tegen eenen stevigen muur. Een diepe, goed drogende kelder zoude wel de meest doelmatige plaatsing opleveren, want daarin zijn de warmte-veranderingen geringer dan overal boven den grond, en de trillingen zijn daar ook het minst.

Uit: Handleiding voor een burgerlijke tijdsbepaling van F. J. Stamkaart, Amsterdam 1847.

In België – met zijn sterk gewestelijk -eigene – zal het niet veel anders zijn geweest dans in Nederland met zijn „geestelijk” particularisme. Je had gemeenten met spoortijd en stadhuis-tijd en torens van kerkgenootschappen die zich onwillig aan de natuur vastklampten. In een enkele gemeente had je bovendien nog een hervormde klok en een roomse klok, naargelang pastoor of dominee zich conformeerde aan de overheid. Afspraken en afspraakjes moesten gemaakt worden naar roomse of protestantse tijd, waardoor gemengde verkeringen al weinig kans moeten hebben gekregen.

In het Vlaamse land moet een afspraakje van een Bruggeling en een Gentse om acht uur ’s avonds in Eeklo tot dramatische vergissingen geleid hebben!

Nu er een energiecrisis in Europa is, moest Europa wel tot het invoeren van een zomertijd komen.

De burgers willen trouwens best! Italië en Spanje zijn hun toeristen reeds lange tijd terwille door hun per dag een extra uur avondlijk plezier te geven.

Sociaal geluk en economisch voordeel pleiten voor de zomertijd, nog los van het feit dat verkeers-instanties berekend hebben dat een uur langer werken bij daglicht vele doden in het verkeer minder schelen.

Maar, helaas, zoals in onze lage landen het niet gemakkelijk was om door het gewestelijk-eigene heen te breken, zo gaat het nu weer met de regio’s van Europa, de nationale landen.

De uitdrukking „tijd slijt” gaat maar ten dele op!

Europeanen zijn hardleers, want wéér niet één en dezelfde tijdaanduiding. En dan denken we terug aan die arme Paus Gregorius, toen hij zijn gregoriaanse tijdrekening wilde invoeren in heel Europa op één en dezelfde dag.

Voorgeschreven in oktober 1582 gingen de Zuidelijke Nederlanden (België) er in december 1582 al op over. Engeland sloot zich aan in 1752; Noord-Nederland in 1700; Duitsland in 1776; Zweden – ten lange leste – in 1823. Een mens kan – helaas – geen zorgen genoeg hebben voor de tijd...


Bron: Het Spoor, maart 1977