Homepagina > Het Spoor > Rollend materieel > Locomotieven > Onze onvergetelijke stomers > Tiende periode, 1920-1939 - Van de Staatsspoorwegen naar de NMBS
Tiende periode, 1920-1939 - Van de Staatsspoorwegen naar de NMBS
Phil Dambly.
dinsdag 6 december 2011, door
Alle versies van dit artikel: [français] [Nederlands]
Van 1921 tot 1922, werden er nog 17 locomotieven type 36 geleverd, zodat het effectief van die “Decapods” 93 eenheden bevatte; ze waren genummerd van 4348 tot 4364 (3648 tot 3664 in 1931).
Als gevolg van de uitstekende resultaten bekomen met de typen 10, die voorzien waren van een dubbele uitlaat, besliste Legein, in 1925, ook de typen 36 hiermee uit te rusten. De machine n° 4423 (later 3623) was de eerste van dat type die aldus verbouwd werd. Om de nieuwe uitlaat te kunnen aanbrengen, had men de rookkast naar voren verlengd. Terzelfder tijd werd het aantal dikke vlampijpen van 31 op 40 gebracht en maakte men van die gelegenheid gebruik om de oververhitter te versterken.
Aanvankelijk was de bediening van de stoomverdeler vrij ingewikkeld, want de schaar van Walschaerts bevond zich aan de buitenzijde ofschoon ze binnen in het frame door een stel van excentrieken in beweging gebracht werd. Men vereenvoudigde derhalve dit stelsel door het aanbrengen van een klassieke bedieningsstang.
Het totaal gewicht van het verbouwde en met de A.C.F.I. uitgeruste type 36 bedroeg 109,50 t, het adhesiegewicht was met een ton toegenomen en het vermogen bereikte thans 2 300 pk. Een enkele machine was in staat 1 000 t te trekken op de hellingen van 13 per duizend van de lijn Athus-Meuse ! Met lichterlocomotief type 81, van Latour tot Gedinne en mits toevoeging van een duwlocomotief op de helling van 17 per duizend van Meix-devant-Virton tot Saint-Vincent-Bellefontaine, bereikte de samenstelling van de zware treinen 1 700 t.
De verbouwingen van het type 36 werden sporadisch uitgevoerd tot in 1943. In afwachting dat het hele effectief verbouwd werd, vormden de reeds veranderde locomotieven het type 36bis. Vanaf 1937 kregen de typen 36 een tweede zandstrooier die op de top van de vuurkist gemonteerd werd.
Op 1 januari 1946 werden de n° 3601 tot 3692 veranderd in n° 36.001 tot 36.092 terwijl de 3600 het nummer 36.093 kreeg. Wegens de levering van de nieuwe “Decapods” typen 25 en 26, die economischer en gemakkelijker te besturen waren, beëindigden ze vroegtijdig hun loopbaan te Latour in 1947. De laatste eigendomsdepots van de typen 36 waren Latour, Stockem, Jemelle, Ronet en Ottignies.
Dubbele schoorstenen van het type 10.
LEGEIN (1923)
KYLCHAP (1938)
|
Sedert de oprichting van de N.M.B.S. bij de wet van 23 juli 1926, bewerkstelligde de Directie van het Materieel en de Aankopen, die instaat voor de tractie der treinen, de constructie, het onderhoud en de herstellingen van de locomotieven, belangrijke verbeteringen in die verschillende activiteiten. Men wilde aldus het aantal locomotieven, dank zij een intenser benutting, verminderen, hun vermogen verhogen en hun gebruik beperken.
Vanaf 1928 bestelde de N.M.B.S. prototypelocomotieven waarvan ze het gedrag wilde bestuderen bij het trekken van de zware treinen op de lijn naar Luxemburg. In mei-juni 1930 werden er vier enorme 2-8-2 “Mikado’s”, type 5, in dienst gesteld. Zij waren gebouwd door de “Ateliers Métallurgiques de Tubize”. Die machines met enkelvoudige uitzetting met twee cilinders, voorzien van een oververhitting, een A.C.F.I.-uitrusting en dubbele uitlaat van Legein, waren gebouwd om exprestreinen van 500 t te trekken tegen 40 km/h op hellingen van 16 mm per meter. De te leveren diensten had de ingenieurs ertoe gebracht aan de onderdelen van die machines aanzienlijke afmetingen te geven; tevens werd de toegelaten hoogte boven het spoor van 4,28 m op 4,48 m gebracht. Bij de constructie van het type 5, had Legein de Amerikaanse werkwijze gevolgd, waarbij hij zich min of meer liet inspireren door het uitstekende type 38. Het stavenframe, gebouwd bij Krupp, was samengesteld uit langsliggers van ongeveer 100 mm breed, die een grotere dwarse weerstand boden. Langs openingen welke in die langsliggers aangebracht waren, kon men met inwendig mechanisme bereiken. In een gewoon, niet uitgesneden frame, had de plaat een gemiddelde dikte van 25 mm. De achterste bissel was van het Amerikaanse stelsel van Cole & Scoville, en de gekoppelde wielen hadden een middelijn van 1,70 m. Een nieuw model van tender met draaistellen, met een inhoudsvermogen van 38 m³, was gekoppeld aan die locomotieven welke 2 950 pk ontwikkelden, 100 km/h haalden en rijvaardig 130 t wogen.
Vier 2-8-0 “Consolidations”, type 35, werden door Cockerill in 1930 geleverd. Die machines met wielen van 1,45 m waren gekoppeld aan klassieke tenders van 24 m³, met drie assen. Zoals bij de typen 5, volgde Legein tamelijk nauwkeurig de Amerikaanse werkwijze, zonder evenwel het typisch Belgische voorkomen van de locomotief te verloochenen. Tijdens de proefritten “sleepte” een enkele locomotief een treinsel van 730 t op een helling van 16 mm per meter te Courrière, tussen Namen en Ciney. Het type 35, met enkelvoudige uitzetting met twee cilinders en oververhitting, was uitgerust met de dubbele uitlaat van Legein en woog rijvaardig 108,40 t. Het ontwikkelde vermogen bedroeg 2 300 pk bij een maximale snelheid van 60 km/h.
De typen 5 en 35 waren de grootste en zwaarste locomotieven van hun categorie, die in Europa gebouwd werden. Ze waren ingedeeld bij het depot van Stockem. De aanzienlijke belasting per as en enkele zwakke punten die tijdens de dienst aan het licht kwamen, beletten de constructie aan de lopende band van die interessante machines.
Bron: Het Spoor, september 1967
Rixke Rail’s Archives