Rixke Rail’s Archives

Accueil > Het Spoor > Technieken > Dank zij de spoormannen kwam het eenvormige uur in zwang

Dank zij de spoormannen kwam het eenvormige uur in zwang

Chronos.

lundi 27 janvier 2014, par rixke

Toutes les versions de cet article : [français] [Nederlands]

Een te weinig gekende sociale verwezenlijking

 Wat is het uur ?

Het uur is voor Jan het pijnlijke ogenblik waarop hij ontwaakt, voor Piet de maag die om voedsel roept, voor Jef een langdurig wachten bij een afspraak, voor Fons een vluchtig ogenblik van geluk, voor Bert het hoofd dat slaperig indut... Voor hen allen is het tevens het rinkelen van de wekker of het “sein” van de radio.

Het uur is dit alles, maar het is nog veel meer. Het heeft zijn geschiedenis en in die wetenschappelijke en sociale geschiedenis hebben de spoormannen — men vermoedt dat wel een beetje — hun woordje meegepraat. Hoe ? Wel, geef u de tijd om dit artikel te lezen. Hebt ge teveel werk ? Och, vergeet niet dat onze voorouders, ondanks hun overvloed aan vrije tijd, eeuwen besteed hebben om zich het wetenschappelijk begrip van de tijd eigen te maken. Het gaat met de tijd evenals met veel andere dingen : ge moet er diep over nadenken vooraleer ge hem begrijpt.

 De tijd en zijn onderverdelingen

De holbewoner had zeker wat anders te doen dan zich onledig te houden met wetenschappelijke bepalingen en sociale beschouwingen. Hij voelde zich echter oud worden en dat schonk hem een eerste begrip van de tijd. Op dat punt verschillen we nog niet van hem.

Zodra hij zich, stilaan, ervan bewust werd dat in de natuur min of meer gelijkaardige perioden elkaar met een zekere regelmaat opvolgen, trachtte hij de tijd in delen te splitsen.

Onze voorouders ontdekten eerst de dag en de nacht, daarna de maanden en tenslotte de jaren. Het allereenvoudigste begrip over het verloop van de tijd wordt ons, inderdaad, gegeven door de opeenvolging van de dagen en de nachten, die perioden van bedrijvigheid en van rust. Nadat de mens vervolgens zijn aandacht had gewijd aan de “nachtvorstin” en de periodieke terugkeer van de volle maan had gadegeslagen, kon hij zich een idee vormen van de maanden [1]. Hij merkte, tenslotte, op dat na een groot aantal dagen de plantengroei hetzelfde uiterlijk terugkreeg ; zo ontstond het begrip van de jaren die bij de Egyptenaren, bijvoorbeeld, begonnen wanneer het wassen van de Nijl een aanvang nam. Ongelukkig zijn de maanmaand en het jaar geen juiste veelvouden van de dag en zo ontstonden al die verschillende soorten kalenders.

 Indeling van de dag en de nacht

De oermens was bedrijvig tijdens de klaarte van de dag en daarom verdeelde hij de dag in een zeker aantal perioden. Dit aantal delen is onvermijdelijk willekeurig. Homerus en Hesiodus onderscheidden slechts twee delen : de morgen en de avond. Het kon moeilijk minder. Meer splitsen kon men, daarentegen, wel.

De indeling van de dag en de nacht elk in twaalf delen vindt men voor het eerst bij de Akkadiërs van het oude Chaldea. Waarom dit getal ? De twaalftallige nummering stond bijzonder in aanzien bij de oude volkeren omdat twaalf tegelijkertijd veelvoud is van twee, drie en vier. Twaalf is ook het aantal der maantijden van het primitieve jaar en het aantal der sterrenbeelden van de Dierenriem. Wat er ook van zij, deze indelingswijze werd aangenomen door de Grieken, de Romeinen en al de beschaafde landen.

Gedurende lange tijd hadden de Perzen de dag in slechts vijf delen ingedeeld, de Japanners in zes, de Romeinen in zeven. De keuze van het getal twaalf heeft, zelfs in de oudheid, aanleiding gegeven tot de meest fantastische interpretaties. Heeft men niet gezegd dat deze indeling een uitvinding was van de Egyptenaren bij wie een soort aap twaalf maal per dag en even dikwijls per nacht zijn blaas ledigde en dit met een volmaakte regelmaat !!

De tijdruimte tussen twee opeenvolgende doorgangen van de zon door een zelfde punt ligt aan de basis van de tijdmeting, of de chronometrie, zoals de geleerden zeggen. Het enige onmiddellijk waarneembare vaste punt is de horizon. Voor de oude volkeren begon de dag dus op het ogenblik dat de zon voorbij de horizon trok, hetzij bij haar opgang, hetzij bij haar ondergang. Het huidige vaste punt, de meridiaan, is niet rechtstreeks waarneembaar. Het is een abstract begrip. De waarneming van het middaguur (de doorgang van de zon door de meridiaan) zoals die thans gebeurt, veronderstelt een vergevordere beschaving en ingewikkelde middelen die alleen in het bereik van de ingewijden liggen.

In de oudheid had de landbouw de voorrang op alle andere bedrijvigheid. De twaalf uren van de dag beantwoordden toen vanzelfsprekend aan de tijd die besteed werd aan de werken op het veld, terwijl de twaalf uren van de nacht bestemd waren voor de rust en de slaap [2].

De dag heeft nochtans, in de loop van het jaar, geen constante duur : in onze streken is hij tweemaal zolang in de zomer als in de winter. Welnu, in het verleden waren de dag en de nacht elk afzonderlijk ingedeeld in twaalf gelijke delen welke ook hun respectieve duur was. Alle uren gelijken op elkaar, zegt men, maar dat ze eeuwenlang een “tijdelijke” duur hadden, veranderlijk van dag tot nacht, van dag tot dag en van nacht tot nacht, verwondert ons thans toch wel een beetje.

Dit systeem van ongelijke dagen en nachten kon, trouwens, noch de slaapkoppen, noch de nachtvlinders bevredigen.

De “tijdelijke” uren waren in gebruik tot op het einde van de middeleeuwen. In die tijd noemde men ze “ongelijke uren”, wat niet helemaal juist was, vermits zij toch volledig gelijk waren aan elkaar gedurende dezelfde dag of dezelfde nacht.

Tijdsgedachten



Mensen die nooit tijd hebben doen het minst.


Georg Christoph Lichtenberg.


 


Men kan de tijd niet doden zonder de eeuwigheid te verwonden.


Henry David Thoreau.


 


Ik houd van het verleden, maar ik verkies de toekomst.


André Gide.


 


Jaren weten meer dan boeken.


George Herbert.


 


In ’t verleden ligt het heden,


In het nu, wat worden zal.


Willem Bilderdijk.


 


Voor twee personen vliegt de tijd op een gans verschillende manier voorbij : hij is snel of traag naargelang de vriendschap die zij voelen.


Graham Green.


Laten wij aanstippen dat de “tijdelijke” uren nog altijd bestonden wanneer de slingeruurwerken al lang in gebruik waren. In de XVe eeuw knoeiden de “klokkeniers” van de kathedralen nog iedere morgen en avond aan hun mechanismen opdat deze de dag en de nacht zouden kunnen indelen in twaalf gelijke delen die immers nooit helemaal dezelfde waren van de ene tot de andere dag.

 Van de zonnewijzer tor de chronografen

Om de dag en de nacht in verscheidene perioden in te delen, hebben de mensen immer hun vindingrijkheid tentoongespreid.

Vraag aan een Hindoe of aan een Egyptenaar met een gebaar de gang van de zon aan te duiden en hij zal met de rechterarm van links naar rechts een halve cirkel over zijn hoofd trekken. Een Europeaan zal zijn arm min of meer horizontaal van links naar rechts bewegen. Het ganse onderscheid tussen de eerste systemen van zonnewijzers ligt in deze gebaren. Onder de lage breedten voltrekt de zichtbare beweging van de zon zich in een vlak dat eerder verticaal dan horizontaal is. In Egypte was de eerste zonnewijzer een gnomon, d.w.z, een staak, een obelisk waarvan de langer wordende schaduw aanduidingen gaf aan wie ze kon verklaren. In Europa liet de zonnewijzer toe de dag in te delen volgens de richting van de schaduw op een kromme lijn die in het begin op een verticaal vlak getrokken werd en daarna op een hellend vlak.

Voor de nacht en de regendagen dachten de Egyptenaren het wateruurwerk uit dat gebaseerd was op het wegvloeien van water uit een gegradueerd vat. Men vond ook de zandloper uit die wij nog gebruiken om een zacht gekookt eitje klaar te maken. Daarna kwam de tijd van de mechanische uurwerkmakerij [3] die zich stilaan perfectioneerde en thans chronometers en chronografen vervaardigt waarmee de seconden kunnen gesplitst worden.

Van het ogenblik af dat de klokken zich overal verspreidden, waren zij het die hun wet oplegden : het begrip van het tijdelijke uur verdween stilaan, en met de hulp van de sterrekundigen werden de 24 uren van de dag gelijk voor elke dag en elke nacht. Als richtpunt nam men niet meer de opgang en de ondergang van de zon, maar de doorgang van dit hemellichaam door de meridiaan. De sterrekundigen belastten zich met het bepalen van deze doorgang ; een kanonschot of een ander sein kondigde, precies te twaalf uur, aan dat het tijd was om de klok juist te zetten.

Deze nieuwe maatregel werd gunstig onthaald. De sociale toestanden waren veranderd. De mensen hadden leren werken bij kunstlicht en ze wilden zich niet méér afsloven in de zomer dan in de winter. Ze waren niet meer onderworpen aan de natuur en konden de nacht voor de dag nemen...

 “Echte” zon en “middelbare” zon

De sterrenwachten melden ons nog immer het uur. Hiervoor steunen zij zich echter niet op de doorgang van de “echte” zon door de meridiaan, maar wel op die van de “middelbare” zon. Men was immers wel verplicht een fictieve zon uit te vinden, vermits de echte zon niet zo regelmatig is als een klok. Neen, zelfs op de zon kunt ge geen staat maken. De tijden die verlopen tussen de opeenvolgende doorgangen door een zelfde meridiaan in de loop van een jaar, zijn verre van volkomen gelijk omwille van de excentrische beweging van de aardbol in de ruimte. Alles draait daarboven wel, maar toch verre van gesmeerd.

Men werd er dus toe genoopt als basis de “middelbare” tijd te nemen die bepaald wordt volgens de beweging van een fictieve zon. Deze verplaatst zich eenvormig en geeft ons dagen die allen onderling volkomen gelijk zijn. De verschillen die nu eens groter, dan weer kleiner zijn (nooit meer dan 17 minuten) dan de werkelijke zonnedagen worden gecompenseerd ; dank zij een geleerde “equatie” hebben de werkelijke zon en de fictieve zon juist een jaar nodig om een volledige omloop af te leggen [4].

Slechts omstreeks 1800 werd de middelbare tijd in verschillende landen ingevoerd ter vervanging van de werkelijke zonnetijd die tot dan door de uurplaten werd aangeduid. De Zwitsers, die immer een zwak gehad hebben voor een nauwkeurige tijdsbepaling, gaven, in 1780, het voorbeeld te Genève. Londen volgde in 1792, Berlijn in 1810 en Parijs in 1816. In deze laatste stad was de politieprefect M. de Chabrol, er toen nog niet helemaal voor te vinden en vreesde hij zelfs een opstand. De verandering ging echter onopgemerkt voorbij [5].

 Wanneer de spoormannen er zich mee moeien : Van het plaatselijke tot het eenheidsuur

De middelbare tijd werd veralgemeend, maar de plaatselijke tijd bleef behouden. Toen bijna iedereen zijn klok regelde op het uur dat bepaald werd door de doorgang van de middelbare zon (en niet meer door de doorgang van de werkelijke zon) door zijn eigen meridianen, ontstond hieruit een oneindig aantal verschillende uren voor heel de wereld en zelfs voor gans een land.

Het is middag op een plaats, wanneer de zon zich in de meridiaan van die plaats, of tenminste in de onmiddellijke nabijheid daarvan bevindt ; de andere uren van de dag worden hieruit bepaald. Voor twee plaatsen die niet juist op dezelfde meridiaan liggen, begon de dag niet op hetzelfde tijdstip ; zij konden dus niet hetzelfde uur op hetzelfde ogenblik hebben.

De spoormannen, die mensen met een ruime geest, zouden eindelijk deze particularismen doen verdwijnen.

Zolang er slechts verspreide spoorbaanvakken bestonden, waren de uurregelingen gebaseerd op het uur van de voornaamste stad die door elk baanvak werd bediend. Maar naarmate de lijnen langer werden, verdreven zij de verschillende plaatselijke uren.

Men kan thans niet meer aannemen dat alle klokken van ons net niet hetzelfde uur op hetzelfde ogenblik zouden aanduiden. Nochtans werden in Duitsland, in 1889 nog, de uurregelingen alleen in de plaatselijke tijd aan de reizigers meegedeeld. Een reiziger die van Aken naar Goettingen reisde miste zijn trein bij de terugkeer indien hij vergat dat zijn klok, goed geregeld te Aken, 15 minuten vertraging had op het uur van Goettingen.

De afwijkingen van de “plaatselijke tijd” veroorzaakten zulke moeilijkheden dat meerdere netten spoedig, hetzij verscheidene genormaliseerde uren, hetzij een eenheidsuur invoerden. In het begin bezat Italië, bijvoorbeeld, voor zijn spoorwegen, vijf verschillende uren : die van Turijn, Verona, Florence, Rome en Napels. In 1866 werden alle uurregelingen eenvormig afgestemd op het uur van Rome.

In 1889 gebruikten de meeste landen voor hun spoorwegen een eenheidsuur, dit van de hoofdstad. Meerdere genormaliseerde uren werden nog gebruikt, namelijk in Beieren, Oostenrijk, Hongarije, Brazilië.

Duitsland had werkelijk “vertraging”. Gelukkig voor de machinisten had men toch een speciale uurregeling opgesteld en hiervoor een eenheidsuur gebruikt, nl. dat van Berlijn. De bedienden van de exploitatie waren werkelijk te beklagen ! Om de vragen betreffende het vertrek- of aankomstuur van een trein te kunnen beantwoorden, moesten zij zich nu eens van de ene, dan weer van de andere uurregeling bedienen, naargelang de vraag hun gesteld werd door een reiziger of door een spoorman !

De toepassing van een eenheidsuur per net was een stap vooruit. Maar dit stelsel bood toch ook, voor de internationale betrekkingen, die nadelen welke de reizigers van een zelfde land ondervonden hadden door het gebruik van de verschillende plaatselijke uren bij het ontstaan van de spoorweg. De trein 722 van het jaar 1889 vertrok te Luxemburg om 9 h 16 ’s morgens [6] volgens de Belgische treingids en om 9 h 22 volgens die van Luxemburg. De reiziger die een van de treinen 88, 89, 100 en 101 nam, kwam in het eerste Franse station op een minder gevorderd uur toe dan dit waarop hij het laatste Belgische station had verlaten ! Dit kon, in zekere zin, de aangename indruk verwekken dat men de tijd achterhaalde, maar het was belachelijk.

De landen moesten eerst het voorbeeld volgen van hun spoorwegnetten ; vervolgens moesten ze een universeel systeem aanvaarden.

De Staten, die het uur van hun hoofdstad hadden aangenomen voor de dienstregeling van al de treinen, pasten stilaan dezelfde tijd toe voor de andere levensomstandigheden. De steden lieten het plaatselijke uur vallen en pasten zich aan het spoorweguur aan. Men zag geen verschillende uren meer op de klokken naargelang ze zich binnen of buiten de stations bevonden.

Wat nu de universele tijd betreft, zijn uur zou weldra slaan, en de rol van de spoormannen zou ook in dit geval overwegend zijn.

 Het universele uur

Nergens ter wereld stelde zich het probleem van het uur op een zo dringende wijze als op het uitgestrekte net van de spoorwegen van de U.S.A. en van de Engelse bezittingen van Noord-Amerika. Van het oosten naar het westen was er, naargelang de lengteligging van de plaats, een enorm verschil in het tijdstip waarop de zon in het zenith (middag) stond. Er bestaat een verschil van vier uur tussen Vancouver en Halifax.

Tot in 1883 moesten de Amerikaanse Maatschappijen zich van een zestigtal uren bedienen ! Deze overdrijving moest krachtdadig bestreden worden. De spoorwegdirecteurs kwamen daarom overeen dat zij, van 18 november 1883 af, nog slechts vijf normale uren zouden gebruiken ; deze uren — en dit is de beslissende stap — zouden bepaald worden door hun vijf meridianen die in verhouding tot de meridiaan van Greenwich getrokken waren.

De kwestie van een eenvormig stelsel voor tijdmeting was bestudeerd geworden door de geleerden van heel de wereld, en, dank zij de bemoeiingen van Charles F. Dowd (U.S.A.) en Sandord Fleming, hoofd van de verkeerswegen van Canada, kon een praktisch systeem uitgewerkt worden, gebaseerd op een eenvoudig idee.

Er moesten, over de ganse wereldbol, 24 type-meridianen getrokken worden die telkens op 15° lengte van elkaar gelegen zijn. Er werd willekeurig overeengekomen dat de eerste meridiaan of nul-meridiaan (nul graden) van waaruit men de ligging van de andere meridianen zou berekenen, die zou zijn welke, een beetje oostwaarts van Londen, door Greenwich loopt. Door deze keuze wou men een internationale hulde brengen aan het werk dat op het gebied van de sterrekunde en de zeevaartkunde geleverd werd door het vermaarde koninklijke observatorium van Greenwich, gesticht ia 1675 door koning Karel II.

De alzo getrokken meridianen vormen het centrum van de 24 “uurzones”. Al de punten van een zone hebben op elk ogenblik hetzelfde uur als dit van de centrale meridiaan van de beschouwde zone. Het uur van een zone loopt, bijgevolg, juist een uur voor op dit van zijn westelijke buurman en loopt evenveel achter op dit van zijn oostelijke buurman.

Dit stelsel werd, tenslotte, veralgemeend, en thans berekent men bijna overal het uur volgens de middelbare tijd van Greenwich (G.M.T. of Greenwich Mean Time).

West-Europa, dat onder vele oogpunten een blok vormt, heeft nochtans, voor zijn grondgebied, een middelbare Europese of middeneuropese tijd aangenomen. Rome, Berlijn, Wenen, die deel uitmaken van dezelfde zone, hebben hetzelfde uur als Brussel, Parijs en Madrid die in een andere zone gelegen zijn. Sociale beschouwingen hebben, eens te meer, het pleit gewonnen.

 De wijzerplaat met 24 uren

De spoormannen waren eveneens de eersten die de uren per minuut telden en aldus tal van vergissingen en misverstanden uit de weg ruimden. In de praktijk hebben nochtans weinig wijzerplaten een dubbele reeks van twaalf cijfers. Voor de huidige damespolshorloges zou men, in dergelijk geval, een loep moeten hebben om de minste aanduiding erop te kunnen onderscheiden. Gelukkig maar dat het slagwerk van onze klokken niet verdubbeld werd. Welk een serenade zouden wij horen, indien onze beiaarden, die zelden terzelfder tijd luiden, vierentwintig slagen achtereen zonden doen weergalmen !


Bron : Het Spoor, januari 1960


[1De gestalten van de maan gaven, later, het ontstaan aan de indeling in weken van zeven of acht dagen.

[2De nacht stelde een einde aan elke menselijke bedrijvigheid. De reizen, zelfs de militaire operaties eindigden. De reglementen van de gilden verboden tot in de middeleeuwen alle nachtelijk werk. Een arbeider zou er toen evenmin aan gedacht hebben bij het licht van een kaars te werken als een landbouwer op onze dagen het in zijn hoofd zou halen aardappelen te planten bij elektrisch licht.

[3Men kan de oorsprong ervan doen opklimmen tot de VIIIe eeuw toen men de eerste mechanische middelen, aangedreven door gewichten, beproefde. De aandrijvingsveer vindt men slechts terug in de XVe eeuw, de spiraalslinger in de XVIIe.

[4Wij zullen dit onderwerp niet uitdiepen. Het zou ons te verbrengen, verder zelfs dan de maanraketten waarvoor men, trouwens, een andere tijd gebruikt, de “sterretijd” : de meest juiste die de sterrekundigen kannen berekenen.

[5Er is een periode van meer dan 200 dagen gedurende welke de middelbare tijd schommelt rond de echte tijd zonder zich er meer dan vijf minuten van te verwijderen, nu eens in plus dan weer in minder. Deze periode is omringd door twee andere, elk van ongeveer 80 dagen, gedurende welke de afwijking minder dan 17 minuten, vertraging of voorsprong, bereikt. Dit is niet zo erg !

[6Terwijl in de U.S.A. en in Canada zekere netten de dag reeds in 24 uren verdeelden (geteld van 0 tot 24), onderscheidde men in Europa nog 12 uren ’s morgens en 12 uren ’s avonds. In België duidde de treingids de uren van de morgen aan door de letter m, die van de avond door de letter s.